TRUTSCHUTTER MET JARRETELAANDRIJVING

 

Fiat500

Wanneer ik de parkeerplaats opscheur constateer ik tot mijn ontsteltenis dat het ding nog in de steigers staat. Arie en Tedje, die hun namen om ethische, morele maar bovenal om fiscale redenen liever niet vermeld zien, zijn druk aan het sleutelen. De een Fiat 500 liefhebber pur sang, de ander verafschuwt het karretje maar “hij verdient er wat pegels aan.” Men had me beloofd dat ik vandaag een rondrit in het door sommigen verguisde en door anderen intens geliefde ‘bultje’ zou mogen maken. Maar dat behoort wat mij betreft tot de onmogelijkheden want het ding staat opgekrikt en Tedje ligt onder de wagen druk te sleutelen terwijl Arie immens blauwe stofwolken produceert met zijn schuurmachine.

Bovendien is er geen scherfje glas in de ‘kozijnen’ te bekennen en elke vorm van verlichting ontbreekt ten enen male. “Nou en”, kakelt Arie wiens gezicht een blauwe teint heeft, “puike airconditioning toch.” Eigenlijk heeft hij nog gelijk ook, er heersen vandaag weer Nigeriaanse weersomstandigheden in onze door ozon geteisterde Nederlandse broeikas. Enkele weken geleden startte het duo met een grondige opknapbeurt van de Fiat. Kijkend naar het voorlopige resultaat veronderstel ik dat het nog wel enige maanden zal duren voordat het karwei definitief geklaard is. “Nee hoor, de motor is al volledig gereviseerd, balken, remleidingen en draagarmen zijn vernieuwd en de wagen loopt al als een trein”, vertelt een enthousiaste Arie. Tedje wordt intussen getroffen door een heftige lachbui: “schei toch uit man, loopt als een trein, een rondscharrelend scharminkel is het, een gebochelde, trage koektrommel op vier wieltjes”. “Jij hebt ook geen greintje gevoel voor romantiek, nostalgie of avontuur, als het aan jou ligt moet een auto minstens 220 lopen, elektrische ramen hebben en van ABS, stuurbekrachtiging en een 100 litertank voorzien zijn”, repliceert een fanatieke Arie wiens hoofd steeds roder wordt. Afijn, ik maak een einde aan het gebekvecht met de mededeling dat ik eindelijk wel eens mijn leven wil riskeren door achter het stuur plaats te nemen. Het tweetal stemt toe en enige seconden later, wanneer ik me met enige moeite achter het stuur gewrongen heb, draai ik de contactsleutel om in de hoop dat de vierwieler een teken van leven zal vertonen. IJdele hoop dus. Arie deelt mij mede dat ik een hendel naast me omhoog moet trekken om het ding aan de praat te krijgen. En jawel, het motortje begint zowaar te pruttelen en een moment later te knorren als een klokje dat zojuist door een grootmeester van het Zwitserse horlogegilde gesmeerd is. Eenmaal op de weg, geef ik gas en voort dendert de deugniet, elke oneffenheid in het wegdek beantwoordt de bolide met een opwaartse beweging die zo heftig is dat ik dolblij ben dat er zich geen dak boven mijn hoofd bevind.

Bobbejaanland
Ik waan me in Bobbejaanland, vrolijk, frank en vrij, baant het bultje zich een weg door het landschap, de wind heeft door het ontbreken van welk glaswerk dan ook vrij spel en mijn kapsel begint vreemde vormen aan te nemen. Enthousiast geef ik nog een dot gas en ik zie bruin verbrande grassprieten aan me voorbij schieten, koeien kijken verschrikt op, het kunnen overigens ook stieren geweest zijn, mijn kennis met betrekking tot het agrarische leven is nu eenmaal uiterst beperkt. Uiteindelijk besluit ik met enige tegenzin de terugreis te aanvaarden. Een vierkante meter volstaat om me 180 graden te draaien en probleemloos bereik ik de thuishaven. Ook de remmen blijken te functioneren. “En, wat vond je ervan”, vraagt Arie die al ongeduldig op de uitkijk stond, “is het geen knuffel, een ukkie om verliefd op te worden.” Op de achtergrond staat Tedje buikschuddend te gieren van het lachen en tranen biggelen over zijn bruingebrande wangen. “Trek je maar niets aan van die eikel, hij weet niet wat hij mist. Hij is alleen maar in de centen geïnteresseerd.” Ik geef hem geen ongelijk want de altruïst bestaat al sinds de verbanning van Adam en Eva uit het aartsparadijs niet meer. Toch heb ik genoten van het korte ritje in de Fiat die dertig jaar geleden nog een prijskaartje had van 3800 gulden en tegenwoordig maar liefst het drie dubbele moet opbrengen. “Inflatie hè”, legt Arie uit. “Idioterie”, meent Tedje. De waarheid zal zoals te doen gebruikelijk wel weer in het midden liggen.